Eén jaar

18 april was voor mij een beladen dag. Een jaar geleden vertrokken we uit Nederland. De urgentiedie ik de hele tijd heb gevoeld om naar Nieuw-Zeeland te gaan, was die maandag en het weekend ervoor totaal verdwenen. Waar beginnen we aan? Waarom wilden we dit ook alweer? En wat ben ik toch gemeen om de kleinkinderen weg te halen bij hun opa’s en oma’s.

De reis naar Nieuw-Zeeland was er geen om naar huis over te schrijven. Het reizen an sich ging erg goed met de kinderen. We hadden er geen kind aan. Maar tussen de vliegreizen door was het verschrikkelijk. Die maandagavond 18 april legden we de kinderen vroeg op bed in het hotel op Schiphol, een unicum voor ons. Op de valreep gleed Timme uit in de badkamer en viel hij op zijn achterhoofd. Hotelbed onder het bloed, ik naar de receptie en uiteindelijk met de ambulance naar de medische dienst op Schiphol. De wond was gelukkig niet diep, maar werd ook niet gelijmd omdat dat veel last zou opleveren voor Timme (plakkende haren). Met een hard – en ik bedoel hárd – gillend kind in mijn armen met een ziekenhuisdeken om liep ik over Schiphol op zoek naar de taxichauffeur van het hotel. Om half 11 konden we dan eindelijk naar bed en kon ik de vraag niet uit mijn hoofd krijgen: ‘Is dit een teken dat we niet moeten vertrekken?’.

In Singapore hadden we gelukkig maar een korte tussenstop. De kinderen speelden in een indoor speeltuintje en na twee uur konden we gaan boarden. Op dat moment kwam Timme uit het speeltuintje lopen met een bebloed voorhoofd. Nou ben ik nogal een oplettende moeder, maar blijkbaar was het Timme gelukt om in dat ene onbewaakte ogenblik ergens tegenaan te lopen. Bloed van zijn gezicht af gehaald en op naar de boarding gate met de vraag of er medische hulp in de buurt was. Toen werden we door iemand naar de medische post gebracht. Deja vu. Ik liep met een hard – en ik bedoel hárd – gillend kind over het vliegveld in Singapore. Totaal bezweet kwamen we daar aan en moesten we formulieren invullen en wachten op een arts. Dat halfuurtje leek een eeuwigheid te duren. Het wondje op Timme’s voorhoofd werd dichtgelijmd en na de betaling werden we dit keer gelukkig met zo’n vliegveldwagentje (we hadden natuurlijk nogal wat handbagage bij ons; belangrijke administratie, alle trouwkleding!) naar de gate gebracht. Compleet gestresst, overbezorgd en 10 jaar ouder kwamen we daar aan. Zo’n 20 mensen hielpen ons mee de spullen op de band te leggen voor de boarding controle en renden met ons mee het vliegtuig in. Die had namelijk al moeten vertrekken, maar Air New Zealand was zo geweldig om op ons te wachten. En nog beter, toen we eenmaal zaten kregen we naast de fantastische SkyCouch die we al hadden geboekt, een extra SkyCouch. Niet alleen ik kon op die manier goed slapen (met Timme), ook Elbert kon daardoor op een bank slapen met Noortje samen. Uitgeput waren we, dus we hebben zeker 7 uur geslapen van de vlucht van 11 uur. Wat een sublieme service van Air New Zealand!

Je snapt het al. Op vliegveld Auckland, waar we na een korte overnachting wachtten op het laatste vliegtuig, moesten de kinderen vooral dicht bij ons in de buurt blijven. Anderhalf uur later landden we in Queenstown en meteen voelde ik het: home. Het is goed, we zijn er, dit is thuis. En dat blijf ik raar vinden na een jaar in Nieuw-Zeeland. Dat je blijkbaar 2 ’thuizen’ kunt hebben die precies aan de andere kant van de wereld liggen. Ik kan de foto’s niet goed terugkijken van die maandag op het Waalstrand in Nijmegen, waar we de laatste twee weken in een stacaravan hadden gewoond. Van Miep, Bert, Laura en de kinderen hadden we dat weekend al afscheid genomen. Nu waren alleen mijn ouders er nog. Het was een mooie ochtend. We liepen over het strand. In de verte de Sint Stevenstoren van mijn geliefde Nijmegen. Mijn moeder bleef als altijd nuchter, bij mijn vader zag ik het verdriet. Onze verhuizer bracht ons in een taxibusje naar Schiphol, waar we zouden overnachten. Want we wilden geen emotionele drama’s op Schiphol en niet midden in de nacht opstaan om naar het vliegveld te gaan. In 2003 verhuisde ik van Amsterdam naar Nijmegen om onder andere weer dichter bij mijn ouders te kunnen zijn. Nu ik een gezin had, ging ik ineens verder dan ver. Het weggaan van mijn ouders vond ik het ergste wat ik ooit heb gedaan. Vrijwillig heb gedaan. Ik heb een uur zitten huilen in het taxibusje en dat doe ik nu weer (als dit toetsenbord van papier zou zijn, zat ‘ie nu vol inktvlekken). Gelukkig hebben we facetime en whatsapp en hebben we meer contact dan ooit. Maar ik kan niet wachten tot mama en papa langskomen en ze de kinderen elke dag kunnen knuffelen en verwennen en weer grapjes met ze kunnen maken.
Inmiddels is het hier 19 april. We hebben gisteren mooi die 18e april ‘herdacht’. Op het strand bij een camping. Zonder hoofdwonden.


Reacties

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *